1993
Herman van Veen
Ridder in de Orde van Oranje-Nassau 1993
Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, 2008
Van Veen is vooral bekend als zanger, violist, en tekstschrijver. Hij ontving tijdens zijn carrière al acht Edisons, waaronder voor het album 'Morgen' uit 1970. Van Veen is naast kleinkunstenaar ook bekend vanwege zijn maatschappelijk engagement en zijn inzet voor de rechten van kinderen. In 1976 schreef hij voor Unicef Nederland en het Haags Residentie orkest een theatervoorstelling over de moedige eend Alfred Jodocus Kwak, die uitgroeide tot een van zijn meest populaire personages.
Van Veen is ook drager van de Louis Davidsring, een andere belangrijke nationale prijs voor kleinkunst. In 2010 krijgt hij in het Koninklijk Theater Carré de Edison Oeuvreprijs Kleinkunst. De Edison Stichting kent Van Veen deze prijs toe voor zijn gehele oeuvre en zijn buitengewone verdiensten voor de Nederlandse muziek. In 2006 werd de eerste overhandigd aan Ramses Shaffy. Hij kreeg de prijs overhandigd door Paul van Vliet.
(boulevard) 1992
Ann Hasekamp
Ridder in de Orde van Oranje-Nassau
1992
Rijswijk
Ann Hasekamp speelde nog tot op hoogbejaarde leeftijd. Op de planken en in films. Samen met haar man Ton Lutz, 'Toneelvader des Vaderlands', creëerde zij vele producties. Haar man als regisseur of acteur, zij als de ster van het stuk. Bij de Haagsche Comedie, het Rotterdams Toneel, Globe en de Toneelgroep Amsterdam speelde Hasekamp jarenlang en vol enthousiasme. Toneelstukken waarinj ze acteerde, zoals Drie zusters en De kersentuin van Tsjechov, zorgden voor uitverkochte zalen. Voor haar rol in De kersentuin ontving Hasekamp in 1971 de Colombina voor de beste vrouwelijke bijrol. Maar op de voorgrond treden deed ze niet. Het was niet de erkenning of de roem waarvoor Hasekamp toneel speelde. Het was haar passie voor het vak. Op haar 65e werd Hasekamp benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau voor haar werk aan het toneel en haar inzet voor Amnesty nternational. Op het Amsterdams Toneel kreeg ze niet voor niets de bijnaam 'Ann-nesty'.Het grote publiek kent de actrice van tv-series als Het zonnetje in huis, waarin ze begin jaren '90 de rol van de moeder van Catharina vertolkte, en de tv-serie Kind aan Huis waarin ze in 1997 Oma Lilian speelde. In Oorlogsrust (2006) schitterde Hasekamp als mevrouw Boon, die in een Jappenkamp gezeten had en in Affair play (1995) speelde ze tante Caroline. 'Een nogal ingrijpend ongeluk' van Festival van het ongespeelde stuk in 1996 was haar laatste professionele toneelrol. Hasekamp begon bij het Voorburgs amateurtoneel. Via het studententoneel belandde ze bij de Haagsche Comedie. Op haar vierentwintigste kreeg ze haar eerste professionele jaarcontract. In de beginjaren ontmoette ze Ton Lutz, die bevreind was met de vriend van haar zus. Tijdens een logeerpartij zag hij Ann staan en werd verliefd. Lutz trouwde in 1947 echter met Ina Kranenborg, die zwanger was. Eind jaren vijftig ontmoetten Hasekamp en Lutz elkaar weer tijdens de repetities van 'De min in 't Lazarushuis' van het Rotterdams Toneel. Ze kregen een relatie. Die jaren bij het Rotterdams Toneel beschreef Hasekamp als 'de gouden jaren'. Lutz scheidde pas halverwege de jaren zestig van zijn eerste vrouw en op 30 maart 1973 trouwden Hasekamp en Lutz. Het toneelpaar kreeg geen kinderen. Peter Oosthoek, Cees Laseur, Paul Steenbergen, haar echtgenoot Ton Lutz en Pjotr Sjarov leerden Hasekamp de fijne kneepjes van het vak. Sjarov stimuleerde de toen net beginnende actrice om nooit op te geven. En opgeven was inderdaad vreemd voor Hasekamp. (Algemeen Nederlands Persbureau ANP)
1990
Armando
Ridder in de Orde van Oranje-Nassau (1990)
Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (2006)
Kunstenaar Armando kreeg zijn onderscheiding vanwege zijn verdiensten als schilder, beeldhouwer, schrijver en film- en documentairemaker. Hij is betrokken geweest bij verschillende kunstenaarsgroepen, waaronder Nulgroep en De nieuwe stijl. Hij ontving ook als schrijver vele prijzen, waaronder de Bordewijkprijs en de Multatuliprijs voor de bundel 'Machthebbers'. 'Dierenpraat' werd in 2000 bekroond met een Zilveren Griffel. Veel van Armando's werk is vertaald in het Duits, Frans en Engels.(novum)
1989
Jan Andries Blokker
Ridder in de Orde van Oranje-Nassau
1989
Amsterdam
Het multitalent Jan Blokker, scherp columnist, auteur, documentairemaker en schrijver van filmscripts en toneelstukken is decennialang een monument in medialand geweest. Ondanks zijn veelzijdigheid genoot de journalist vooral bekendheid door zijn columns die sinds de jaren zestig in De Volkskrant verschenen en vanaf de zomer van 2006 in NRC Next. Vooral politici, maar ook vakgenoten werden in zijn columns niet ontzien. De stijlfiguur van de overdrijving was daarbij steevast zijn leidraad. Zo typeerde hij Sonja Barend ooit als 'een vrouwtje dat nog nooit één gedachte heeft gehad'. Mart Smeets zag hij als 'de vleesgeworden verkeerde sportman tegen wie nog nooit iemand heeft gezegd dat z'n ego niet deugt' en KRO-presentator Aad van den Heuvel noemde hij 'een vertegenwoordiger van de meest verhoerde journalistiek die in Nederland denkbaar is'. Zijn kritische, cynische stukken leverden hem in de loop der jaren bijnamen op als 'Nederlands grootste chagrijn', 'mopperkont pur sang' of 'azijnpisser'. Tegelijkertijd oogstte de man, die ook in het computertijdperk zijn stukjes nog op een ouderwetse typemachine schreef, veel bewondering onder een grote schare lezers. Zelf typeerde Blokker, getrouwd en vader van vier kinderen, zich als 'een liberale Hollandse burgerjongen' of 'een echte kaaskop'. Blokker was veel meer dan stukjesschrijver. Tal van tv-drama's, toneelstukken en films staan op zijn naam. Zo schreef Blokker de scenario's van Bert Haanstra's film Fanfare uit 1958 en van Makkers staakt uw wild geraas (1960) van Fons Rademakers. In 1964 werkte Blokker mee aan het roemruchte satirische VARA-programma Zo is het toevallig ook nog eens een keer en voor die omroep schreef hij in 2000 de serie Oh oh Den Haag over een ambitieuze politica. Na afgebroken studies Nederlands en geschiedenis legde hij zich toe op schrijven. Op 23-jarige leefijd ontving hij de Reina Prinsen Geerligs Prijs voor zijn novelle Séjour. Vervolgens trad hij in dienst bij de kunstredactie van Het Parool, waar hij op verzoek van Simon Carmiggelt 'de betere films' ging recenseren. In 1954 stapte Blokker over naar het Algemeen Handelsblad, de voorloper van NRC-Handelsblad. Naast filmrecensies vervaardigde Blokker hier geregelde 'cursiefjes'. Na een ruzie in 1964 stapte hij over naar de Volkskrant. Daarnaast ging hij als hoofd informatieve programma's werken bij de VPRO-televisie. In de jaren tachtig was Blokker enige tijd adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant, maar hij wilde uiteindelijk de krantenjournalistiek toch liever beperken tot het schrijven van columns. In 1991 werd Blokker benoemd tot bijzonder hoogleraar persgeschiedenis aan de Erasmus-universiteit in Rotterdam. Die gelegenheid greep hij aan om zich provocerend af te zetten tegen de journalistiek: 'een nederig, laf beroep'. Van de meeste columnisten bleek hij ook geen hoge dunk te hebben. "In Nederland is een columnist iemand die regelrecht van de mulo naar de media is gepromoveerd, de paar goeden niet te na gesproken natuurlijk. Een columnist, bedoel ik, hoeft niks te weten, hij hoeft alleen maar een mening te hebben." Over gebrek aan erkenning had Blokker niet te klagen. Voor zijn voorzitterschap van het Productiefonds voor de Nederlandse Film kreeg hij een koninklijke onderscheiding. Verder ontving hij de prijs voor het beste kinderboek van 1961 (voor Op zoek naar een oom), de Nipkowschijf voor zijn televisiewerk en de Gouden Ganzenveer voor zijn bijdragen aan de Nederlandse cultuur. (BN/DeStem)
Derk Sibolt Hovinga
Ridder in de Orde van Oranje-Nassau
1989
Oostwold
Derk Sibolt Hovinga geldt als een van de grootste dichters die Groningen voortbracht. Hij publiceerde vier dichtbundels, Störm en Stilte (1952), Miemern in twijduustern (1960), Oogst van mien aner laand (1968) en Bloaren aan de levensboom (1982). Roggemouer is Hovinga's eerste gedicht. In 2007 wijdt de componist en geluidskunstenaar Hero Wouters uit Nieuw Scheemda een project aan hem. Dat jaar verschijnt ook de biografie over Hovinga geschreven door Harry Reininga.
Jan Groenbroek beschrijft de dichter in het voorwoord van deze biografie als "Een in zichzelf gekeerde man die de liefde voor zijn geboorteland, het Oldambt, zijn verbondenheid met de natuur en het boerenbestaan, en zijn diep besef van het ondoorgrondelijke mysterie van het leven in zijn gedichten tot uitdrukking brengt." In 1983 wint Hovinga op 74-jarige leeftijd de Literaire Pries van de stichting t Grunneger Bouk. Hij kreeg die voor zijn hele oeuvre, maar vooral voor de bundel Bloaren an de Levensboom die in 1982 verscheen.
(Dagblad van het Noorden)
1985
Toon Kortooms
Ridder in de Orde van Oranje-Nassau
1985
Deurne
Toon Kortooms is nog altijd de best verkochte streekromanschrijver van Nederland. Van zijn roman Beekman en Beekman zijn meer dan twee miljoen exemplaren verkocht. De roman Help! De dokter verzuipt was in Nederland Eerbetoon aan Toon Nederland anderhalf jaar nummer 1 op de bestsellerlijst. Andere titels zijn Liefde in Peelland en Mijn Kinderen eten turf. Naast streekromans schreef Kortooms kinderboeken en werkte hij mee aan tijdschriften als Panorama, Libelle en Sjors en Jimmy.
(De Limburger)
1984
Peter Struycken
Ridder in de Orde van Oranje-Nassau
1984
Gorcum
Menig Nederlander stuurde het portret dat 'Gorcumer' Peter Struycken van koningin Beatrix maakte over de wereld. De louter uit puntjes opgebouwde beeltenis siert een serie postzegels die in 1981 verscheen. Struycken, geboren in Den Haag, woont sinds begin jaren '70 in Gorinchem. Zijn portret van Beatrix is een uitzonderlijk werk, omdat hij veelal abstracte kunst maakt. Zo maakte hij onder meer computergestuurde lichtkunstwerken voor het Muziektheater in Amsterdam en het Nederlands Acrhictectuur Instituut in Rotterdam. Het Gorcums Museum kocht begin dit jaar een werk van hem aan dat onderdeel uitmaakte van de Peter Struyvesant-collectie, Structuur X genaamd (AD).
1980
Henk van Ulsen
Ridder in de Orde van Oranje-Nassau
1980
In 1949 begon voor Van Ulsen een magistrale theatercarrière die tot voorbij zijn tachtigste zou duren, en die hem langs vele theaters en tv-studio's leidde, hetzij in gezelschappen, hetzij als solo-acteur. Zijn solo-optredens (zoals het talloze malen gespeelde Dagboek van een gek, maar ook vertolkingen van de Bijbelboeken Job en Prediker) maakten hem beroemd en geliefd. Na de toneelschool kreeg Van Ulsen een contract bij Comedia, het theatergezelschap dat de voorloper was van Nederlandse Comedie. Het bracht brood op de plank, maar hij was er niet gelukkig, omdat hij het gezelschap niet bruisend genoeg vond. Een aanbod dat hij in 1954 kreeg vanuit de Nederlandse Antillen om daar als acteur en regisseur theater te gaan maken, greep hij dan ook met beide handen aan. Een jaar lang woonde hij op Curaçao, waar hij ook in de jaren zestig nog enige tijd werkte. Eind jaren vijftig wilde Van Ulsen zich niet meer aan één toneelgezelschap binden. Hij werd freelance acteur. In 1963 speelde hij zijn eerste filmrol (in De vergeten medeminnaar) maar ruim vijf jaar eerder had hij zijn televisiedebuut gemaakt: in de door Annie M.G. Schmidt geschreven serie Pension Hommeles. In 1963 ontving Henk van Ulsen de zilveren Bouwmeesterpenning, een nu niet meer bestaande aanmoedigingsprijs die diende als opstapje voor de Louis d'Or. Die kreeg hij zeven jaar later, maar toen had hij in 1964 ook al de Albert van Dalsumprijs in de wacht gesleept voor zijn rollen in De wijze kater en Spinoza, beide met toneelgroep Studio.
(Het Parool)
1977
Harry Kurt Victor Mulisch
Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw (1997)
Officier in de Orde van Oranje-Nassau (1992)
Ridder in de Orde van Oranje-Nassau (1977)
Amsterdam
Harry Mulisch een van de meest productieve, originele en veelzijdige schrijvers die Nederland heeft voortgebracht. Hij is geboren op 29 juli 1927 in Haarlem. Zijn ouders waren redelijk tot goed ingeburgerde vluchtelingen en gingen enkele jaren na zijn geboorte uit elkaar. Harry’s moeder emigreerde naar Amerika. Harry bleef bij zijn vader in Haarlem wonen, samen met huishoudster Frieda, die voor Mulisch erg belangrijk was (later vernoemde Mulisch zijn dochter naar haar).
De Tweede Wereldoorlog was van beslissende invloed op Mulisch’ leven en schrijverschap.
Vanaf het eind van de jaren ’40 publiceerde Mulisch talrijke verhalen en toneelrecensies in dag- en weekbladen en in literaire tijdschriften. Zijn debuut uit 1952, het verhaal Tussen hamer en aambeeld, verwierp hij later, maar hij maakte kort daarop grote indruk met het ‘onhollandse’ boek archibald strohalm. Daarna volgden succesvolle titels elkaar in hoog tempo op. Het zwarte licht uit 1956, De versierde mens (1957), Het stenen bruidsbed (1959) en Voer voor psychologen uit 1960.
Mulisch verhuisde medio jaren ’50 naar Amsterdam. Hij verkeerde in schrijverskringen en manifesteerde zich als society-figuur. Overigens liet hij zich ook in met maatschappelijke ontwikkelingen. Zo versloeg hij het proces tegen de nazi Adolf Eichmann in Jeruzalem voor het weekblad Elsevier, wat resulteerde in het indrukwekkende boek De zaak 40/61. Hij raakte geïmponeerd door de Cubaanse revolutie van 1959, waarover hij zijn boek Het woord bij de daad schreef. En Bericht aan de rattenkoning verhaalde over de roerige gebeurtenissen in de zomer van 1966 in Amsterdam. Echt onaantastbaar populair werd Mulisch na de publicatie van De Aanslag (1982). Dit boek, dat op zo onnadrukkelijke wijze het pregnante verhaal vertelt over Anton Steenwijk vanaf de Hongerwinter tot aan de grote vredesdemonstratie in 1981, beleefde een nationale en internationale zegetocht zonder weerga. De Aanslag werd herdrukt, vertaald en verfilmd en de verfilming werd bekroond met een Oscar. In 1992, het jaar waarin hij 65 werd, verscheen ten slotte Mulisch’ magnum opus: De ontdekking van de hemel. Ook dit boek is een succes geworden met bijna mythische proporties. Nog onlangs werd het verkozen tot het beste Nederlandse boek aller tijden. Mulisch heeft vele onderscheidingen ontvangen: P.C. Hooftprijs, Grote Prijs der Nederlandse letteren, Koninklijke onderscheiding, ere-doctoraat … er is zelfs een planetoïde naar Mulisch genoemd.
(KB.nl)
Louw de Graaf
Commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw (1989)
Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (1981)
Officier in de Orde van Oranje Nassau (1977)
De Graaf was secretaris CNV (1973-1977), 2e Voorzitter CNV (1977-1981), Staatssecretaris van Sociale Zaken (1e kabinet Van Agt/ 1981-1982), Lid Tweede Kamer (CDA/1982), Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (3e kabinet Van Agt/1982-1987), Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (kabinet Lubbers I en II/ 1987), Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (kabinet Lubbers II/1987-1989), Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (kabinet Lubbers III/ 1991-1995), Voorzitter Nationaal Overlegorgaan Sociale Werkvoorziening (NOSW/1991-1996), Lid Raad van Casinospelen (1992-1998), Vice-voorzitter Hoge School Holland te Diemen (1993-1998), Lid Raad van Commissarissen van Melle NV te Breda (1996-2000), Commissaris GAK-Groep Amsterdam en Lid Curatorium van het Nederlands Gesprekscentrum. Hij is vanaf 1989 Voorzitter van de Ziekenfondsraad en vanaf 1999 Voorzitter van het College voor Zorgverzekeringen. Nevenfuncties zijn onder meer vanaf 2002: Lid bestuur Stichting Instituut GAK; vanaf 1992: Voorzitter van de Raad van Commissarissen Bontebal Bouw te Reeuwijk. (kpn.nl)
1970
Bernhard Justus Droog
Ridder in de Orde van Oranje-Nassau
1970
Ede
Droog speelde sinds 1945 talloze rollen op toneel, in televisieseries en op het witte doek. Hij acteerde in meer dan honderd toneelstukken en in veel Nederlandse speelfilms. Zijn filmcarrière begon in 1955, toen hij de leraar speelde in de film 'Ciske de Rat'. Daarna volgden rollen in de films 'Fanfare' van Bert Haanstra en 'Wat zien ik' van Paul Verhoeven. Ook speelde hij in de film 'Erik of het klein insectenboek' van Gidi van Liempd en in de televisieserie naar het gelijknamige boek van Godfried Bomans. Zijn laatste filmrol had Droog twaalf jaar geleden in de Oscarbekroonde film 'Karakter' van Mike van Diem. Andere films met Droog zijn 'De Overval' (1962) en 'Dorp aan de Rivier' (1958) van Fons Rademakers. In deze voor een Oscar genomineerde film naar het gelijknamige boek van Antoon Coolen speelde hij Cis den Dove. In de film 'Pastorale 1943' (naar de roman van Simon Vestdijk) van Wim Verstappen kroop Droog in de huid van drogist Poerstamper. Verder had hij nog rollen in de Haanstra-films 'De Zaak M.P.' uit 1960 en 'Een pak slaag' (1979) naar het gelijknamige boek van Anton Koolhaas. Vele rollen speelde Droog in theaterproducties, waaronder 'Dood van een Handelsreiziger' en 'Schakels'. Ook in de televisieversie van 'Schakels' (1983) acteerde Droog. In 1970 werd hij geridderd in de Orde van Oranje Nassau. (anp/adv)
1969
Bernhard Haitink
Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (1980)
Commandeur in de Orde van Oranje Nassau (1988)
Officier in de Orde van Oranje Nassau (1969)
Nederlands dirigent Bernhard Haitink studeerde viool aan het Conservatorium van Amsterdam en kreeg zijn eerste lessen in directie bij Felix Hupka. Zijn eerste aanstelling kreeg hij als violist bij het Filharmonisch Orkest van de Nederlandse radio en nam in dezelfde tijd lessen in dirigeren bij Ferdinand Leitner. Deze bezorgde hem in 1955 de positie van tweede dirigent bij de Nederlandse Radio-Unie. Op 7 november 1956 liet Carlo Maria Giulini weten het Concertgebouworkest niet te kunnen dirigeren en moest er onmiddellijk een vervanger geregeld worden, waarop Bernard Haitink werd gevraagd in te vallen. Een groots debuut volgde. In 1961 volgde Haitink samen met Eugen Jochum Eduard van Beinum op als eerste dirigent van het Concertgebouworkest van Amsterdam. In 1963 werd Haitink benoemd tot chef-dirigent, een functie die hij bekleedde tot 1988. In de jaren 1967 tot 1979 was hij tegelijkertijd ook chefdirigent van het London Philharmonic Orchestra en fungeerde hij van 1970-1978 ook als artistiek directeur van dit orkest. Vanaf 1978 had hij tien jaar lang de leiding over het Festival van Glyndebourne. Vanaf 1988 tot 2002 was Bernhard Haitink, naast zijn talrijke verplichtingen als gastdirigent (o.a. Wiener- en Berliner Philharmoniker, Boston Symphony Orchestra, Cleveland Orchestra, New York Symphony Orchestra evenals Sächsische Staatskapelle Dresden (2002-2004)), muzikaal directeur van de Koninklijke Opera Covent Garden in Londen. In oktober 2004 werd hij 'Ehrenmitglied' van de Berliner Philharmoniker en met ingang van het seizoen 2006-2007 is hij eerste dirigent van het Chicago Symphony Orchestra. Haitink houdt zich bezig met zowel het oeuvre van Gustav Mahler, Anton Bruckner, Beethoven en Dimitri Sjostakovitsj alsook met werken van moderne Engelse componisten. De Amerikaanse vakorganisatie Musical America benoemde Bernard Haitink, tijdens een ceremonie gehouden in het Lincoln Center op 21 december 2006, tot 'Musicus van het Jaar' 2007. Haitink dankt de onderscheiding onder meer aan zijn beroemde opnames met het Concertgebouworkest én natuurlijk zijn werk in Amerika. Op 6 maart 2007 is de Concertgebouw Prijs (een initiatief van de besturen Het Concertgebouw) uitgereikt aan dirigent Bernard Haitink in het Concertgebouw. De prijs wordt uitgereikt aan musici die over een langere periode een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan het artistieke profiel van Het Concertgebouw. Na ontvangst worden de winnaars permanent vermeld in Het Concertgebouw. Bernard Haitink en zijn Chicago Symphony Orchestra kregen zondag 8 februari 2009 een Grammy in de categorie Beste orkestrale uitvoering voor hun uitvoering van Sjostakovitsj’ Vierde symfonie. Haitink was de enige Nederlander die in de prijzen viel.
(Kunstbus)
Jan Bungeners
Ridder in de Orde van Oranje-Nassau
1969
Helmond
Jan Bungeners was de eerste socialist die in de gemeenteraad belandde. Het jaar waarin dat gebeurde was 1931, rijkelijk laat in vergelijking met andere fabriekssteden. Jan had echter niet alleen te kampen met de onverschilligheid van Helmondse arbeiders, ook met de gevestigde macht. En in een kleine fabrieksstad met niet al te grote bedrijven was die effectiever dan elders. Vooral de kerkelijke ban was een probaat middel om socialisten af te schrikken, zoals Jan zelf zou ervaren. Aanvankelijk opereerde hij keurig binnen de katholieke arbeidersbeweging, die vooruitstrevend was maar tevens inschikkelijk. Geleidelijk dreef hij af naar het socialistische kamp, met de excommunicatie als resultaat. Toen het hem in de crisistijd lukte in de raad te komen, liet hij niet meer los. Hij zou er 44 jaar in blijven. Op het pluche werd Jan gevreesd om zijn obstructies. Als hem iets niet beviel liet hij nog hoofdelijk stemmen over de benoeming van een commissielid. In de wandelgangen vormde Jan dikwijls het middelpunt van een groepje debaters, waarbij zijn tegenstanders hem voornamelijk tot bedaren probeerden te brengen. Ook bestuurlijk streed hij onvermoeibaar voor arbeiders. Toen hij merkte dat kameraden van hem bij de bestaande woningbouwverenigingen werden geweerd, richtte hij met anderen een eigen vereniging op, Algemeen Belang. (hellemond.nl)
1968
Godfried Jan Arnold Bomans
Ridder in de Orde van Oranje-Nassau
1968
Bloemendaal
De schrijver Godfried Bomans was mateloos populair en een bekende Nederlander in zijn tijd. Hij had de reputatie van een echte lolbroek en hij heeft dan ook veel humoristische werken geschreven. Hij werd geboren op 2 maart 1913 in Den Haag als vierde kind. Er zouden nog drie kinderen komen, want het gezin Bomans was streng katholiek en in die tijd was het gebruikelijk dat katholieke gezinnen veel kinderen hadden. Een half jaar na de geboorte van Godfried verhuisde het gezin naar Haarlem, waar Godfried naar de rooms-katholieke lagere school ging. Vader Bomans werd lid van de Tweede Kamer voor de nogal rechtse R.K. Staatspartij en later wethouder van de gemeente Haarlem. Godfried had met zijn vader geen enkel contact. Deze schreef onder het pseudoniem J.B. van Rode een enorme, vijftiendelige, romancyclus. Een ongelukkige jeugd zal Godfried niet echt gehad hebben, want zijn geschreven jeugdherinneringen heten “Een mooie tijd”. Het katholieke geloof speelde een grote rol in het gezin en hierover heeft Bomans één van zijn beste bundels geschreven: “Beminde Gelovigen”.
Na de lagere school ging Godfried naar het Lyceum Sanctissimae Trinitatis in Haarlem, waar hij de gymansiumafdeling doorliep. In de eerste klas begon hij al onder verschillende pseudoniemen met het schrijven van stukjes in het schoolblad en na een poosje werd hij hoofdredacteur. In de vijfde klas scheef hij het toneelstuk Bloed en Liefde; een doldwaas stuk waarin iedereen aan het eind doodgaat en waarin zoveel rollen zitten als er leerlingen in zijn klas. Bomans’ echte literaire debuut was poëzie en proza in het literaire tijdschrift “Het venster”. De studie rechten die Godfried na het lyceum in Amsterdam ging doen, werd geen succes. Schrijven werd steeds belangrijker voor hem en in 1936 verscheen zijn eerste boek dat ook één van zijn bekendste zou worden: “Pieter Bas”. De oorspronkelijke, volledige titel luidt: “Memoires of gedenkenschriften van Mr. P. Bas”. Het boek gaat over een denkbeeldige minister van Onderwijs die in Dordrecht geboren werd en later (net als Bomans) rechten gaat studeren. Hierin zitten veel autobiografische elementen van Bomans, die ook een echte Engeland-liefhebber en een groot bewonderaar van Dickens was. Hij bezat zelfs de op één na grootste Dickens-bibliotheek van de wereld. Bomans heeft ook heel wat stukken over deze Engelse schrijver geproduceerd, die later verschenen onder de titel “Dickens waar zijn uw Spoken?” Zelfs het leven van Dickens en Bomans vertoonde grote overeenkomsten. Het waren beide uitstekende sprekers, zij traden allebei graag en vaak op in het openbaar en ze stierven beiden op 58-jarige leeftijd. Na het verblijf van Bomans in Amsterdam kwam hij in Nijmegen terecht. Hij huurde daar een kamer en ging psychologie studeren. In die tijd schreef hij zijn bekendste boek: “Erik of het klein insectenboek”. In de oorlog verhuisde Bomans naar Haarlem en dook hier onder. In 1944 trouwde hij Pietsie Verscheure met wie hij in 1941 al verloofd was. Nog in de oorlogsjaren werd Bomans redacteur van Elseviers weekblad en na de bevrijding werd hij kunstredacteur van De Volkskrant. Zijn eerste bijdrage was een verslag van de feestelijkheden op de Dam op 10 mei 1945. In datzelfde jaar startte in die krant het stripverhaal “De avonturen van Pa Pinkelman” en in 1946 verscheen “Sprookjes”. In de jaren vijftig verbleef Godfried Bomans een paar maal langere tijd in Rome. Voor Elseviers weekblad en De Volkskrant schreef hij reportages vanuit de Italiaanse hoofdstad en in 1956 verscheen “Wandelingen door Rome”. Intussen was hij begonnen met radio-werk. Voor de KRO deed hij “Kopstukken” en in 1960 startten de eerste uitzendingen van het AVRO-radioprogramma “Hou je aan je woord” met Karel Jonckheere, Hella Haasse, Harry Mulisch en Victor van Vriesland. Later kwam het ook op televisie. Door dit programma werd Bomans bekend bij alle Nederlanders.
Zijn populariteit bereikte in de jaren zestig een hoogtepunt. Hij maakte in die jaren lange reizen naar onder andere Suriname. In 1961 verhuisde de familie (in 1960 is zijn dochter Eva geboren) naar een villa in Bloemendaal. In 1968 werd Godfried Ridder in de Orde van Oranje Nassau. In juli van zijn laatste levensjaar verbleef hij, net als Jan Wolkers vóór hem, in opdracht van AVRO/VARA een week op Rottumerplaat. Hij wist zich daar van stilte en eenzaamheid geen raad en werd ziek. In december hield hij zijn laatste interview, met Johan Cruyff. Hij heeft 64 boektitels op zijn naam staan, als hij op 22 december 1971, op 58-jarige leeftijd, na een hartaanval overlijdt.
(Collegenet.nl)
1946
Adriaan Roland Holst
Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau (1968)
Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (1958)
Officier in de Orde van Oranje-Nassau (1946)
Bergen
Adriaan Roland Holst was achttien toen hij ervoor koos dichter te worden en sindsdien is de poëzie het belangrijkste in zijn leven geweest. Hij gold als `de prins der dichters'. `Jany' werd hij genoemd, de oudste zoon van Adrianus Roland Holst en Maria van Tijen, die op 23 mei 1888 aan de Amsterdamse Stadhouderskade ter wereld kwam. Zijn vader, broer van de beeldend kunstenaar Rik Roland Holst en zwager van de socialistische dichteres Henriette, was een bemiddeld assuradeur. Zijn tante Henriëtte Roland Holst en haar man hadden invloed op zijn vroege ontwikkeling. Hij was student in Oxford, maakte reizen naar Ierland, Italië, Griekenland en Zuid-Afrika. Hij bezocht de Parijse salons in de jaren twintig en dertig en had een grote, internationale kring van vrienden en vriendinnen. Vanaf zijn eerste bundel Verzen (1911) die al op zijn 23ste uitkwam was zijn naam als dichter gevestigd, iedere volgende uitgave van De belijdenis van de Stilte (1913) en Voorbij de wegen (1920) tot De wilde kim (1925), vergrootte zijn prestige. Hoewel de belangrijkste eerbewijzen – de P.C. Hooftprijs en de Prijs der Nederlandse Letteren – hem pas na de Tweede Wereldoorlog deelachtig werden, schreef hij zijn mooiste en meest tot de verbeelding sprekende poëzie vóór die tijd, met als hoogtepunt Een winter aan zee uit 1937. Zijn prozawerk, herscheppingen van Keltische sagen, meditaties over het leven en autobiografische verbeeldingen zoals Deirdre en de zonen van Usnach (1916), De afspraak (1923) en Uit zelfbehoud (1938). In het literaire leven in Nederland nam bij een centrale plaats in. Gorter en Bloem, Greshoff en Van Eyck, Slauerhoff en Nahoudt waren zijn vrienden Zijn optreden tegen de Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog gold als een bemoedigend voorbeeld voor anderen. Roland Holst heeft in kunstenaarsdorpen als Blaricum en Ascona gewoond, maar ruim zestig jaar van zijn leven was het Noord-Hollandse Bergen zijn woonplaats, dicht bij het kustlandschap dat voor hem onmisbaar was en hein inspireerde tot zijn belangrijkste gedichten. Roland Holst heeft veel vrouwen bemind, in relaties die soms oppervlakkig waren, soms dieper gingen. Werkelijk trouw kon hij alleen aan de Muze zijn, aan het dichterschap. Die levenshouding botste in zijn jeugd met een behoefte aan sociaalidealisme. Ze hing samen met de depressies waaraan hij sinds zijn jeugd leed en die verergerden naarmate hij ouder werd. Hij trachtte ze te bezweren in zijn poëzie, waarvan de ontwikkeling innig verbonden was met zijn levensloop. Na de bevrijding nam de roem van Roland Holst een mythische proportie aan. Anders dan een aantal andere schrijvers was hij goed geweest tijdens de oorlog, hij werd samen met verzetsmensen ontvangen bij koningin Wilhelmina en ontleende alleen al daaraan prestige. Zijn zestigste verjaardag in 1948 werd groots gevierd met een diner van tachtig mensen. Daar noemde collega-dichter Jan Engelman hem voor het eerst `de prins der dichters', een titel die een blijvende lauwerkrans werd. Datzelfde jaar kreeg hij de Constantijn Huygensprijs voor zijn hele oeuvre, in 1955 gevolgd door de P.C. Hooftprijs en vier jaar later de Prijs der Nederlandse Letteren. Vanaf 1953 was hij Ereburger van Bergen en geen koninklijke onderscheiding werd hem onthouden. Toen hij in 1966 bovendien niet zwichtte voor de charmes van Renate Rubinstein en zich een warm voorstander betoonde van het huwelijk tussen kroonprinses Beatrix en Claus von Amsberg, kreeg hij een vaste logeerkamer op kasteel Drakensteyn. Hij werd een graag geziene huisvriend van het toekomstige koninklijke paar en hun kinderen. Tot zijn laatste snik heeft Roland Holst gedichten geschreven en gepubliceerd.
(boeken.vpro/NRCboeken)
1931
Willem Marinus Dudok
Officier in de Orde van Oranje-Nassau, 1949
Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, 1931
Hilversum
De beroemde architect Dudok begon zijn loopbaan bij de Militaire Staf der Genie van Amsterdam. Hier deed hij vooral technische kennis van de bouwkunde op. In 1915 werd hij directeur Publieke Werken in de gemeente Hilversum. Hier was hij verantwoordelijk voor de architectuur voor de stedenbouwkundige samenhang. Naast zijn baan bij de gemeente had Dudok ook een eigen architectenbureau. Eind jaren twintig werd hij aangesteld als gemeentearchitect van Hilversum. In 1929 had hij zijn handen vol aan zijn eigen opdrachten voor het Nederlandse studentenhuis in de Cité Universitaire te Parijs, de Bijenkorf in Rotterdam en de opdrachten van de gemeente Hilversum. In Hilversum bouwde hij onder andere het nieuwe raadhuis, vier scholen, een groot aantal woningcomplexen, het ontwerp van het Noorderbegraafplaats en een viaduct. In 1954 ging Dudok met pensioen, hij bleef nog wel betrokken bij het bouwen in Hilversum. Op 6 april 1974 overleed de inmiddels beroemde architect. Dudok ligt begraven op de Noorderbegraafplaats in Hilversum. Hij ontwierp deze begraafplaats zelf.
Dudok’s bouwstijl valt niet onder een bepaalde stroming te klasseren. Beïnvloed door zowel de Amsterdamse School en De Stijl, probeerde hij beide bewegingen ten opzichte van elkaar te neutraliseren; te ontdoen van iedere ideologische lading en te doen opgaan in een visueel krachtig beeld. Dudok’s markante stijl, getypeerd door strakker lijnen en primaire kleuren, komt goed tot uitdrukking in de openbare gebouwen die hij ontwierp, met name zijn scholen met hoge stalen ramen en in zijn bakstenen huizen met gemetselde togen, terrasjes en gaanderijen.
Dudok was ook een belangrijke stedenbouwkundige, en in tal van ontwerpen heeft hij gezocht naar een adequate toepassing van de tuinstad-gedachte in de Nederlandse omstandigheden. In Hilversum zijn 75 ontwerpen van hem uitgevoerd. Verschillende wijken zijn volgens zijn stadsplan aangelegd. Hij ontwierp nieuwe woonwijken in de vorm van bloemblaadjes, gegroepeerd om het hart en van elkaar gescheiden door groene stroken. Hij werkte van een hoog naar een laag schaalniveau. Van stad naar buurt, naar straat, naar gevels, naar plattegronden die logisch uit de vorm van het gebouw voortkwamen. Dudok respecteerde het eigen karakter van de bestaande stad, hij sloot zijn woonwijken daarop aan. Om de natuur zoveel mogelijk te respecteren, vormen zijn wijken veelal een afronding van de gebouwde omgeving. De openbare ruimte is dan ook altijd belangrijk in Dudok’s plannen.
(dudokwonen.nl)
1926
Alida Johanna Maria Tartaud-Klein
Ridder in de Orde van Oranje-Nassau
1926
Rotterdam
Toneelkunstenares. Zij heeft gespeeld in rollen van Ibsen: Maria Stuart, De maagd van Orleans en ook in stukken van Moliere. Zij heeft daarnaast ook Kniertje gespeeld in Op hoop van zegen.
(De Nederlandse ridderorden)
1923
Louis Marie Anne Couperus
Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.
Mei 1923
Den Haag
Louis Couperus was een Nederlands schrijver. In 1888 verscheen zijn roman Eline Vere als feuilleton in het dagblad Het Vaderland en was direct een groot succes. Hij had toen al twee dichtbundels gepubliceerd die vrijwel onopgemerkt bleven. Kort na zijn huwelijk in 1891 begon het echtpaar Couperus reizen te maken, die hen naar talrijke landen voerden: Italië, Frankrijk, Duitsland en Engeland, Nederlands-Indië, Spanje en Japan. In Frankrijk vestigde Couperus zich enige tijd als schrijver in Nice. De Eerste Wereldoorlog bracht Couperus noodgedwongen door in Nederland, waar ook Eline Vere als theaterstuk werd opgevoerd. Hoewel de waardering voor het werk van Couperus al tijdens zijn leven begon terug te lopen, en hij na zijn dood zelfs enige tijd in de vergetelheid leek te raken, kwamen met name zijn romans toch steeds opnieuw weer in de belangstelling. Het verschijnen van een aantal biografieën en bewerkingen van zijn boeken voor film en televisie hebben daar zeker aan bijgedragen. Bekende televisiebewerkingen zijn: De kleine zielen (een televisieserie gebaseerd op De boeken der kleine zielen), Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan en De Stille Kracht. Het verschijnen van een uitgebreide biografie door Frédéric Bastet in de tachtiger jaren zorgde ervoor dat Couperus weer volop in de belangstelling kwam te staan en dat zijn persoon voor het eerst voor een breder publiek eer werd aangedaan. Tijdens zijn leven genoot Couperus een internationale reputatie. Zijn werk werd dan ook veelvuldig vertaald en herdrukt in het buitenland. Hij kwam onder de aandacht van Oscar Wilde, die zeer te spreken was over Footsteps of Fate, de Engelse vertaling van de roman Noodlot. Op 9 mei 1923 om 3 uur 's middags vond een huldiging plaats ter ere van zijn zestigste verjaardag. In Kunstzaal Kleykamp werd hij tot Ridder in de Orde van de Nederlandsche Leeuw benoemd. (readersworld)
|